
print paginaTussen de doden
In Cemetary State geeft antropoloog Filip De Boeck een beeld van een begraafplaats in Kinshasa. Het is geen plaats van rouw en respect, maar van rouw en agressie.
door Koen Kleijn
Het is helaas niet echt moeilijk om in Congo een locatie of een onderwerp te vinden waarmee de huiveringwekkende desintegratie van het land, de economie, de mensenrechten of zelfs – om maar eens een beladen woord van stal te halen – de ‘beschaving’ kan worden gedemonstreerd. Een regisseur kan zijn camera bij een willekeurige bushalte, benzinepomp of kapperszaak opstellen, waarna het verhaal, gevormd door burgeroorlog, dictatuur, uitbuiting, machteloosheid, wanorde en armoede, zich als vanzelf zal presenteren.
Filip De Boeck zette zijn camera neer bij de begraafplaats Kintambo in Kinshasa. Officieel is die twintig jaar geleden door de overheid gesloten, waarna de brousse, de wildernis, de graven weer in bezit begon te nemen. In de praktijk wordt er nog volop begraven. Ecurie Shamukwale is een kleine begrafenisonderneming van een half dozijn mannen en jongens met wat schoppen en houwelen, een gietvorm voor betonnen kruizen en een mobiele telefoon. Tussen de verkruimelende tombes wachten ze pratend en duttend op klanten. Ze spitten nieuwe groeves tussen de grafstenen, dekken de kist af, plaatsen een wit kruis. Meer is het niet, lijkt het.
De Boeck, hoogleraar te Leuven, is een uitzonderlijke kenner van Congo. In Cemetery State benadert hij zijn onderwerp als de antropoloog die hij is: gedegen, met kennis van zaken en taal, vooral registrerend, niet te veel oordelend. Aanvankelijk lijkt die droge aanpak een drempel, alsof de film vooral is bedoeld voor de collegezaal of het Tropeninstituut. Maar dan blijkt dat juist door de afstand de absurditeit tot haar recht komt. De werkelijkheid is zo grimmig, koortsig en onthutsend, dat een andere, meer betrokken aanpak tot een onbegrijpelijke film had geleid.
De begrafenisrituelen op Kintambo zijn uitgegroeid tot een explosief mengsel van rouw en agressie, van een bitter generatieconflict en broeiend verzet tegen de bestaande orde. Jongeren maken zich meester van de kist en zeulen er dansend mee rond; ze bedreigen de ouders, die ze van hekserij verdenken; ze zingen over seks, ze joelen dat ze de borsten van de dode willen zien, enzovoorts. Ze dragen geen wapens en er vallen geen gewonden, althans, in deze film niet. De associatie met de lugubere Congolese milities, die het land de laatste jaren in een Heart of Darkness hebben veranderd, is echter onontkoombaar.
‘Beschaving’ is een term die in deze context niet vaak meer wordt gebruikt . Terecht: het is een koloniaal begrip, met een hautaine lading. En toch gebruiken de Congolezen het in Cemetery State zelf, als ze over de begraafplaats spreken. Het klinkt door in de woorden van een echtpaar, dat in het struikgewas het graf van hun enige zoon niet meer kan terugvinden. Het is te horen in de reportages van de lokale televisiezender, die schande spreken over het gebruik van de dodenakker als markt, moestuin en speelplaats. ‘Zo is Congo geworden’, zeggen zij. ‘Er is geen respect voor de doden, geen respect voor rouw.’
De Boeck kan in deze uiteenvallende situatie nog altijd tekenen zien van de vitaliteit van de Kinois, hun ontembare geestdrift, hun verlangen naar een betere wereld. Hij ziet meer dan ik.
De documentaire Cemetery State wordt op 11.09.10 en 12.09.10 vertoond in de Brakke Grond in het kader van het programma Allez Congo!.
Koen Kleijn is kunsthistoricus en journalist. Hij is vaste criticus van De Groene Amsterdammer en eindredacteur van 609, het tijdschrift van het Mediafonds.















































