Jong of niet, is dat de kwestie?

Verslag debat '50/50' over theater in Nederland en Vlaanderen

Er is een stevig debat gewenst over de noden en verzuchtingen wat betreft de uitwisseling tussen Vlaanderen en Nederland, meer bepaald voor het werk van jonge theatermakers.” Met deze insteek, een summiere samenvatting van de inleiding zoals die werd gegeven door festivalcoördinator Luc Muylaert, vond op 1 augustus 2016 in Vrijstaat O. in Oostende een ‘sectorevent’ plaats voor (jonge) podiumkunstenaars en programmatoren. De ontmoeting was een initiatief van Theater aan Zee, deBuren, Dutch Performing Arts en de Brakke Grond. Het is een mooi voorbeeld van de sectorgerichte gevoeligheid die Theater Aan Zee sinds een aantal jaren combineert met publieksgerichte evenementen – een manier om wat meer inhoudelijke diepgang te creëren voor de échte centrale gast op Theater Aan Zee: de theatermaker.

In Vrijstaat O., met zicht op de passanten op de zeedijk, is het goed toeven en reflecteren, zo is al langer geweten. Het zaaltje liep aardig vol met voornamelijk jonge professionelen uit zowel de Vlaamse als de Nederlandse theaterpraktijk. Met die opkomst was alvast de titel van de ontmoetingsdag een realiteit: 50/50, een verwijzing naar de gezamenlijke noden en verzuchtingen boven en onder de Moerdijk. In het eerste deel van het programma werd een aantal statements voorgelezen door vier ervaringsdeskundigen: Jef Staes, programmator van de Arenbergschouwburg in Antwerpen; Anneke van der Linden, programmator voor ‘de vlakkevloerzaal’ in de NWE Vorst in Tilburg; Ans Van den Eede van Hof van Eede; en Rebekka De Wit van De Nieuwe Tijd in Antwerpen. Aan alle vier werd een vraag voorgelegd: waar loop je tegenaan, als theatermaker of programmator, met het oog op uitwisseling binnen het Nederlandse taalgebied? Wat werkt, en wat niet?

Eén concreet voorbeeld in die uitwisseling had Luc Muylaert in zijn inleiding al gegeven: Circuit X, de naam van een – jawel – circuit voor fris en veelbelovend werk, is tijdens de recente subsidieronde jammerlijk uit de boot gevallen. Ervaring leert nochtans dat, om een vlot verkeer van podiumcreaties tussen Vlaanderen en Nederland mogelijk te maken en te behouden, er extra prikkels en werkingsmiddelen nodig zijn, zowel ter hoogte van de podia als ter hoogte van het publiek. Dat laatste heeft doorgaans immers weinig of geen overzicht van het aanbod, waardoor bijkomende knipperlichten – of schijnwerpers – absoluut nuttig zijn. Recente voorbeelden van artiesten die via Circuit X zo’n tournee hebben gedaan, zijn Sachli Gholamalizad, Nick Steur, Pieter Ampe, Suzanne Grotenhuis en Jan Martens.

In de vier inleidende statements kwamen diverse, relevante aspecten van het creëren en programmeren aan bod. Soms met een knipoog, soms verrassend openhartig. Jef Staes richtte zijn focus op de programmator als gatekeeper, een functie met macht maar ook met verantwoordelijkheden; Ans Van den Eede hekelde de recente praktijk van het pitchen, als verkoopmiddel op de ‘markt’; Anneke van der Linden wees in haar uiteenzetting op het fenomeen dat, in Vlaanderen, de podia verhoudingsgewijs meer middelen hebben dan de gezelschappen, en dat het omgekeerde in Nederland het geval is; en Rebekka De Wit drukte haar behoefte uit aan lokale verankering, aan de behoefte om bruggen te bouwen tussen haar woelige “binnenwereld” en de “buitenwereld” – een grens die volgens haar meer impact heeft dan pakweg de grens tussen België en Nederland. De Wit: “We werken allemaal vanuit onze eigen overtuiging, en die versie van de realiteit heeft sowieso zijn grenzen. Ik ken bijvoorbeeld alleen maar mensen die voor GroenLinks stemmen. Terwijl ik ook theater wil maken voor een publiek dat zich buiten die overtuigingsgrenzen bevindt. Het gebied tussen mijn tante en de critici, zeg maar.” Om die reden start ze binnenkort met een aangepast programma op maandagavond met haar gezelschap, De Nieuwe Tijd, waar sinds 2015 ook Suzanne Grotenhuis en Freek Vielen mee het artistieke beleid bepalen.

De statements waren, elk op hun manier, boeiend, onderbouwd en eloquent – zoals na afloop onder anderen Wim Vanseveren, directeur van deBuren in Brussel, tevreden opmerkte. Maar zoals wel vaker bij debatten, is de tweede stap het moeilijkste: wat volgt er na een heldere, prikkelende inleiding? Hoe laat het collectieve denken zich aanscherpen? Het gesprek met het aanwezige publiek ging al snel meerdere richtingen uit: het probleem van het ‘categoriseren’ (lees: de zin en/of onzin van het label ‘jong’ werk), de impact al dan niet van negatieve recensies (de aanwezige programmatoren lieten alvast verstaan daar geen rekening mee te houden), de drempel die Vlaamse theatermakers ondervinden om in Nederland voet aan de grond te krijgen, de associatie tussen jonge makers en het zogenaamde vlakke-vloercircuit (lees: waarom worden er zo weinig openingen gemaakt in de programmatie van de schouwburgen?) en – last but not least – hoe zit het anno 2016 met doorstroming? Die laatste opmerking slaat op het feit dat schoolverlaters misschien wel meer kansen krijgen, hoe tijdelijk ook, dan theatermakers van pakweg dertig jaar. Wie pas is afgestudeerd, kan – met een beetje geluk en het nodige talent – rekenen op de nodige aandacht van diverse festivals en andere ‘jonge’ formats, waaronder ook Theater Aan Zee. Maar hoe vergaat het de doorstromers: diezelfde generatie maar dan pakweg vijf of tien jaar later? In Vlaanderen, maar ook in Nederland, zijn er voorbeelden genoeg gekend van talentvolle theatermakers die op deze cruciale fase hun tanden stuk bijten. Te meer omdat heel wat theaterhuizen en speelplekken bewoond worden door een nog oudere generatie: theatermakers en regisseurs van veertig en ouder – soms zelfs heel wat ouder. Het zijn reële aspecten die stuk voor stuk relevant zijn, maar die de vaart uit het debat haalden. Allicht werd die nood aan diepgang wel bereikt in het derde deel van 50/50: daarin werden ervaringen uitgewisseld in kleine groepjes, één per tafeltje. Dat resultaat valt om meerdere redenen te hopen, want sinds de recente subsidieronde – waar de structurele middelen voor de meeste huizen en gezelschappen stagneren of achteruitgaan – doemt er een donkere wolk op, met name voor heel wat jongere en/of kleinere theatergezelschappen.

Er dient zich een ellenlange, ellendige file aan ter hoogte van de pot voor projectsubsidie. Met veel meer aanvragers dan kanshebbers. Dat is pijnlijk, als je weet dat er vorig jaar, tijdens TAZ#2015, al actie is gevoerd voor meer middelen in de projectsubsidiepot. “Het water staat ons aan de lippen”, zo heette die actie toen. Sedert de subsidieronde in juni is het risico op “kopje onder” gaan helaas nog reëler geworden. En, driewerf helaas, Nederland is Vlaanderen daarin al voorgegaan, met de fameuze “kaalslag” van enkele jaren geleden. Wanneer staat er eens een beleidsmaker op die verder gaat dan reddingsboeien uitdelen? (SH) 

Foto door Jolien Fagard

Dit artikel werd gepubliceerd in Tazette #6 op 2 augustus 2016.

Theater Aan Zee