Levend filmmonument Harry Kümel over star quality en zijn afkeer van arthousefilms

Een interview door Jonas Govaerts uit Oogst #12

Vier keer per jaar selecteert de Brakke Grond een artikel uit het Vlaamse kunstmagazine Oogst. Gratis en voor niets delen we spitsvondige essays of boeiende interviews. In het kader van het filmprogramma Vastbesloten Verlangens, dat 4 februari van start gaat, pikten we het interview met regiemonument Harry Kümel eruit, geïnterviewd door Vlaamse regisseur Jonas Govaerts, eveneens een monument. Een schitterende dialoog waar Govaerts met kennis van zaken zijn grote held uithoort over diens ervaringen in de Vlaamse filmwereld.

Toen in 2014 Jonas Govaerts’ debuutfilm Welp uitkwam, werd die door de Vlaamse pers binnengehaald als de eerste Belgische horrorfilm. Maar dat was compleet buiten Harry Kümel gerekend, het regiemonument dat in 1971 de culthit Daughters of Darkness op de wereld losliet, een vampierenprent waarin typische B-filmthema’s worden gekoppeld aan een stijlvolle esthetiek. Voor Oogst ging Jonas Govaerts met zijn grote held spreken.

Wanneer het op filmmakers aankomt, ben ik niet gauw starstruck. Zo heb ik ooit op schoot gezeten bij Dario Argento (wist ú al dat levarsi di dosso, grassone Italiaans is voor “van me af, dikzak”?), deelde ik in Sitges een taxi met Tomas Alfredson en Charlie Kaufman (zowel de regisseur van Let the Right One In als de scenarist van Adaptation moet mij nog 15 euro), en werd ik niet eens zo lang geleden nog gewurgd door Tobe ‘The Texas Chainsaw Massacre’ Hooper – weliswaar voor een fotoshoot, maar toch.

Maar Harry Kümel, dat is andere koek. Niet alleen geldt hij voor mij als Belgiës beste, visueel meest virtuoze regisseur – de man wordt niet voor niets de Visconti van de Lage Landen genoemd – Kümel heeft ook de reputatie behoorlijk prikkelbaar te zijn. En dan druk ik me nog zacht uit. Zo herinnert mijn vader, in ’76  figurant op de set van De komst van Joachim Stiller, zich levendig hoe een woedende Kümel het uitgestalde banket liet bespuiten met giftige insectenspray om zijn cast te beletten er tussen takes van te snoepen, en vertelt een ex-docent van filmacademie Sint-Lukas me graag de anekdote waarin Harry een massascene in het peperdure kostuumdrama Eline Vere (1991) afblaast “omdat de kleur van de paraplu’s niet honderd procent historisch correct is”.

Wanneer Kümel mij een week voor ons interview opbelt om te zeggen dat hij in het ziekenhuis ligt met een nierinfectie, ben ik stiekem opgelucht: “Jammer, een ander keertje dan maar?” Dat is echter buiten het al even befaamde doorzettingsvermogen van de inmiddels 77-jarige cineast gerekend: “Nee, komt u maar gewoon naar het UZA. Ik lig hier toch maar te niksen.”

Misschien ligt het aan zijn medicatie, maar Kümel blijkt bijzonder vrolijk wanneer ik zijn ziekenhuiskamer betreed. Van alle kleurrijke krachttermen waar hij zich de komende vier uur van zal bedienen – “kloteregisseur”, “eikel”, “gedrocht”, “imbeciel”, “lelijkaard”, “draak”, “leeghoofd”, “elitaire snob” – is er wonderwel geen enkele aan mijn adres gericht: ik kom er vanaf met een goedaardig “manneke”.

RIHANNA

Wie denkt dat de Vlaamse cinema pas volwassen werd met Daens (1992), moet dringend de filmografie van Harry Kümel checken. Ik ken in elk geval geen enkel ander Belgisch  filmdebuut dat zo zelfverzekerd is als Monsieur Hawarden (1968), Kümels aan Josef von Sternberg opgedragen bewerking van de gelijknamige novelle van Filip De Pillecyn. In de drie daaropvolgende decennia zou Kümel zich ontpoppen tot een van onze meest ambitieuze en ongrijpbare filmmakers, die magisch-realistische boekbewerkingen (Malpertuis, 1971) schijnbaar moeiteloos afwisselt met groots opgezette tv-films (De komst van Joachim Stiller, 1976) en zelfs een erotische trilogie (The Secrets of Love, 1985). Mochten deze titels u weinig zeggen: u bent niet alleen. Als mensen Kümel vandaag nog kennen, is het vooral vanwege Daughters of Darkness (Nederlandse titel: Dorst naar bloed), zijn Engelstalige vampierenklassieker uit ’71, die binnenkort weleens een sequel zou kunnen krijgen.

Een terugkerend element in uw oeuvre is de theatrale entree van het vrouwelijke hoofdpersonage. Van Ellen Vogel zien we in Monsieur Hawarden bijvoorbeeld eerst een    voet, van Willeke van Ammelrooy in Het Verloren Paradijs (1978) haar silhouet. 

“Dat hoort gewoon zo. In Some Like It Hot verschijnt Marilyn Monroe in een wolk van stoom. Als je een ster hebt, moet je haar zo’n moment geven: daar is ze! Een kloteregisseur als Truffaut snapt dat niet. Hoe hij Catherine Deneuve introduceert in La sirène du Mississippi: lachwekkend gewoon. Zo’n half profielshot, slecht belicht bovendien... Die vent kon echt niks. Als je met sterren van dat kaliber werkt, wordt cinema eigenlijk iets heel simpels. Heb je Valerian gezien, de nieuwe film van Luc Besson? Een totale miskleun – tot Rihanna in beeld verschijnt. Boem! Plots schiet die lm als een raket de lucht in. Waarom? ’Cause she’s a star'.” 

U heeft wel vaker met supersterren gewerkt. Zo speelt Orson Welles een rolletje in Malpertuis, uw bewerking van de magisch- realistische roman van Jean Ray. 

“Ik heb Orson vier dagen op de set gehad: een onmogelijk man, althans als acteur. In plaats van zijn teksten te leren, scheurde hij zijn scenario in reepjes, die hij verstopte tussen de lakens van het bed waarin zijn personage lag. Tot daar aan toe: op beeld zie je dat toch niet. Maar waar ik me wél aan stoorde, was dat hij de scènes van de andere acteurs kaapte. Zo saboteerde hij een shot met Michel Bouquet door telkens opnieuw in de lach te schieten: ‘Het spijt me, Harry, maar hij is zo grappig!’ Onzin, natuurlijk: hij was gewoon bang dat Michel hem van het scherm zou spelen. Na de zeventiende mislukte take boog mijn cameraman Gerry Fisher zich naar mij toe: ‘Geef die eikel zijn close-up, anders zitten we hier de hele nacht.’ ” 

DE LELIJKERDS VAN LA LA LAND 

In de audiocommentaar van Malpertuis beweert u dat u slecht bent in suspense-scènes, terwijl ik uw films vaak razend spannend vind. 

“Ik bedoelde vooral dat zulke sequenties me niet interesseren. Zo’n parallelmontage, dat is toch altijd hetzelfde trucje? Een vrouw ligt boven in bed met haar minnaar, en beneden komt de echtgenoot thuis – zo saai! Verrassing, dát is waar het mij om gaat. Mijn goede vriend Claude Chabrol vertelde me ooit dat hij weigerde de decors te bekijken voor hij aan een film begon, omdat hij anders niet verrast werd. Ik kan dat heel goed begrijpen: cinema moet vérs blijven.” 

In ’71 gold Malpertuis als een waar prestigeproject. Terwijl een Vlaamse genrefillm vandaag in het beste geval als niche zou worden beschouwd. 

“Dat magisch realisme maakt nochtans een belangrijk deel uit van onze traditie, ook in de schilderkunst. Er is een tijd geweest dat wij in België veel beter waren
in irreële films dan in naturalistische lms. Kijk maar naar titels als In kluis (Jan Gruyaert, 1978) of De loteling (Roland Verhavert, 1974). Die films waren misschien niet altijd even goed gemaakt, maar het was wél een specifiek Vlaams genre, dat sindsdien compleet verloren is gegaan. Tegenwoordig wordt een film enkel serieus genomen als hij realistisch is. Terwijl dat op zich al een belachelijk idee is, de werkelijkheid op pellicule proberen te vatten.” 

Uw meest irreële film is ongetwijfeld De komst van Joachim Stiller, naar de roman van Hubert Lampo. 

“Je weet toch hoe die film normaal gezien moest eindigen? Het hoofdpersonage stapt de kathedraal van Antwerpen binnen, een engelenkoor weerklinkt, en de hele toren schiet als een raket de hemel in! (lacht) Dat was de perfecte conclusie geweest voor dat verhaal, dat sowieso al bol stond van de, naar mijn mening behoorlijk onnozele, religieuze symboliek. Ik vond dat het moest kunnen, in tegenstelling tot de toenmalige BRT, die de film financierde. Vandaar de eerder traditionele climax die de film nu kent. Stiller is echt met de grootste moeite gemaakt. De ploeg bestond grotendeels uit tv-techniekers, die enkel geïnteresseerd waren in het doorrekenen van hun kilometers van en naar de set. Die mensen wisten vaak totaal niet waar ik mee bezig was.” 

Te hunner verdediging: ik ken geen andere Belgische regisseur die op dezelfde manier decoupeert als u. Men zal u niet snel betrappen op het doordeweekse systeem van long- shot, mediumshot, close-up. 

“Dat is zo. Ik decoupeer zodanig anders dat de meeste monteurs mijn beelden niet kunnen snijden. Stiller heb ik grotendeels zelf gemonteerd, ’s nachts in dat deprimerende BRT-gebouw. Een goeie decoupage is: zo onopvallend mogelijk toch iets opvallends doen met je camera. Niet evident. Trouwens, ik heb op media- en theaterschool RITCS nu al twee generaties studenten van het idee moeten afbrengen dat de film Whiplash goed gemonteerd is. Wat een monsterachtig gedrocht. Neem nu die scène waarin het hoofdpersonage voor het eerst zijn love interest ontmoet: de camera staat op de verkeerde plaats, het montageritme zit er compleet naast... Terwijl die imbeciel van een Damien Chazelle zelf nog muzikant is geweest! La La Land, zijn tweede film, is zo mogelijk nog erger: ik denk dat ik nog nooit zo veel lelijkaards in een film heb zien rondlopen.” 

LESBISCH VAMPIERENKOPPEL

U zou na Stiller op het punt hebben gestaan om de horrorbestseller Demon Seed van Dean Koontz te adapteren. 

“Dat was een geweldig boek, over een vrouw die verkracht wordt door een organische supercomputer genaamd Proteus. De rechten waren spotgoedkoop, en Pierre (Drouot, scenarist en nog tot eind 2017 intendant van het VAF, red.) had zelfs al een scenario geschreven. Maar toen ik het project voorlegde aan de toenmalige filmcommissie, schoten ze daar in een kramp: ‘Je hoofdpersonage loopt een hele film lang naakt rond, Harry! Dat kunnen we toch niet door de minister laten lezen?’ Mocht ik Demon Seed geregisseerd hebben, dan was het een wereldsucces geworden, en had mijn carrière er wellicht helemaal anders uitgezien.” 

U bent geen fan van de verfilming van Donald Cammell uit ’77?

“Ben je gek? Wat een draak! Cammell maakt de klassieke fout het monster in zijn volle glorie te tonen – zoiets moet je overlaten aan de verbeelding van de kijker. En wie cast er nu ook Julie Christie, de meest aseksuele actrice uit de filmgeschiedenis? Stel je voor hoeveel beter Doctor Zhivago was geweest als David Lean een andere actrice had gekozen. Nee, bij mij zou Sylvia Kristel de hoofdrol hebben gespeeld – die rol was haar op het lijf geschreven.”

Met de vampieren film Daughters of Darkness maakte u alsnog een gevierde classic in het horrorgenre. 

“Ach, als regisseur herinner je je toch vooral de miserie van op de set. Als ik naar Daughters kijk, stoor ik me vooral aan de sleutelhangers van het hotel waar het verhaal zich afspeelt. Dat waren van die lelijke triplex plaatjes, terwijl ik eigenlijk exemplaren met zo’n zware plastic bol eraan had besteld. Als je die in zo’n bakje naast elkaar ziet hangen, lijken dat net tranen, snap je? Niet dat zulke details een film maken of kraken, maar toch. Een ander probleem van die film was de casting. De twee hoofdrolspelers werden aangebracht door de verschillende buitenlandse coproducenten; ik had daar zelf weinig of niks over te zeggen. Ze moesten een verliefd koppeltje spelen, maar tussen die verschrikkelijke Canadese (Danielle Ouimet, red.) en die twintig jaar te oude Amerikaan (John Karlen, red.) hing geen greintje chemie. Zoiets krijg je niet opgelost met een cameratrucje: het is er of het is er niet.”

Gelukkig hangt er tussen gravin Báthory, gespeeld door Delphine Seyrig, en haar protegé Ilona, in een vertolking van Andrea Rau, wél een enorme erotische spanning.

“Andrea was eigenlijk de maîtresse van de Duitse coproducent. Ze had voordien alleen wat softporno gedaan: ik ben toen speciaal in zo’n louche cinema op de Anspachlaan naar een van haar films gaan kijken. In die tijd mocht er geen full frontal nudity worden getoond; de geslachtsdelen werden handmatig door de distributeur weggestippeld met een viltstift. Het eerste wat ik zag toen ik die zaal binnenstapte, was Andrea die uit het water oprees met zo’n wriemelende bijenkorf voor haar kruis (lacht). Maar Andrea en Delphine waren gelukkig wel fantastisch als duo.”

Klopt het gerucht dat u momenteel een remake van Daughters of Darkness aan het voorbereiden bent?

“Jazeker: Mothers of Darkness gaat hij heten. En het is niet echt een remake, maar eerder een revamp (grijnst). Voor de rol van de gravin denk ik aan Sharon Stone. Als het klikt tussen ons, tenminste: ik heb binnenkort een afspraak met haar. En sinds ik Valerian heb gezien, wil ik Rihanna voor de rol van Ilona.”

U maakt een grapje.

“Nee hoor, mijn producent is er momenteel mee bezig. Niet dat ik denk dat het hem zal lukken, maar toch. Geef toe, Sharon Stone en Rihanna als lesbisch vampierenkoppel: dat wil de hele wereld toch zien?”

En aan wie denkt u voor de mannelijke hoofdrol?

“Dat is een moeilijke. Ik vind dat wij in België momenteel bitter weinig jonge acteurs met star power hebben. Matthias Schoenaerts? Die vind ik niet sexy genoeg, en bovendien
is hij te oud. Matteo Simoni? Ja, hij is eventueel een optie. Het personage is namelijk nogal een leeghoofd (grinnikt). Grappig, trouwens: ik werd onlangs door een Frans festival uitgenodigd om iets te komen vertellen over de Belgische filmgeschiedenis. Uiteraard liet ik Meeuwen sterven in de haven zien, een Vlaamse klassieker. Toen Julien Schoenaerts in beeld verscheen, zei ik: voilà, dat is dus de vader van Matthias. Dat publiek viel bijna uit hun stoel: ‘Die man is verdomme nog knapper dan zijn zoon!’ ” 

Wat kan u nog verklappen over uw nieuwe film?

“Het verhaal speelt zich dit keer niet af in Oostende, maar in Bradford. Ik ben daar ooit geweest op uitnodiging van het Media Museum, waar de reiskoffers van Dracula-auteur Bram Stoker tentoongesteld staan. Hij had die achtergelaten op de trappen van het hotel, nadat zijn vriend Sir Henry Irving, een bekend acteur uit de tijd, onverwachts aan een hartaanval was bezweken. Maar wat als Stokers koffers eigenlijk geheime documenten bevatten? En wat als de dood van Irving geen hartaanval was? (grijnst) Ziedaar de premisse voor Mothers of Darkness.” 

Gaat u net als bij uw vorige lms op pellicule te draaien?

“Waarom zou ik? Pellicule is valse nostalgie. Voor jonge regisseurs lijkt op lm schieten misschien spannend: de pellicule kan breken, er kan een haartje voor de lens zitten... Maar die tijden zijn voorbij. Waarom zou je in godsnaam nog zoveel tijd verliezen op een set? Wat ik wel van plan ben, is met een Panavisioncamera te draaien. Niet vanwege de kwaliteit, maar vanwege de grootte. Van zo’n minuscuul digitaal RED-cameraatje zijn acteurs immers niet onder de indruk.”

Hoe indrukwekkender de camera, hoe groter de concentratie op de set?

“Het zorgt toch voor een zekere spanning, ja. Vandaar dat ik ook nog steeds met zo’n ouderwets clapperboard werk. Van digitaal draaien word je laks: het kost allemaal niks, dus draaien de meeste regisseurs er maar gewoon op los. Terwijl dat hele ritueel van ‘Actie!’ en ‘Cut!’ roepen net extreem belangrijk is. Een acteur moet bij elke nieuwe take het gevoel krijgen dat er een doek voor hem open gaat.” 

STOUT SCENARIO

Uw laatste speel lm, Eline Vere, dateert alweer van 26 jaar geleden.

“Het is niet dat ik in tussentijd heb stilgezeten, hoor, manneke. Alleen blijken mijn projecten vaak te ambitieus. Toch voor België. Een groot verdriet in mijn leven is dat ik Eendracht maakt macht niet heb kunnen maken, een satire over de Koningskwestie.”

Hoe ver bent u met dat project geraakt?

“Zeer ver. De decors waren ontworpen, de casting was rond. En al bij al was de productie nog vrij compact: ik zou de Londense locaties bijvoorbeeld gewoon hebben nagebouwd op het Maarschalk Montgomeryplein in Brussel. Maar op het laatste moment is die lm toch verworpen door het Vlaams Audiovisueel Fonds. Ik vermoed dat ze niet goed begrepen hadden waar het scenario over ging. Of té goed, dat is nog waarschijnlijker.”

Hoe bedoelt u?

“Jeroen Olyslaegers had voor mij een zeer stout scenario geschreven, zeer anarchistisch. We hadden de ministers onder Leopold III bijvoorbeeld gemodelleerd naar Sneeuwwitje en de zeven dwergen, met elk hun karakteristieke dwergentrek (lacht). Maar blijkbaar is het niet toegelaten om hier iets te maken dat te diep in de Vlaamse psyche raakt. Dat had ik al gemerkt bij Het verloren paradijs.”

Een buitenbeentje in uw oeuvre, vind ik. Het is de enige film die ook maar enigszins lijkt op de Belgische cinema uit die tijd.

“Dat was net de bedoeling! Ik wilde laten zien dat ik dat ook kon, zo’n vulgaire Vlaamse komedie maken. Bert André acteert er zo overdreven groot in: magnifiek! Maar het is natuurlijk een perverse parodie: Dick Maas, maar dan in het echt. Die film is destijds echt verguisd: ik zou het Vlaamse volk als pispaal hebben gebruikt. Ach ja.”

Ik had in u niet meteen een fan van Dick Maas gezien, de Nederlands regisseur die de wereld Flodder en Amsterdamned schonk.

“Tuurlijk ben ik fan! Dick, dat is tenminste iemand met de ambitie om mainstreamcinema te maken. Brimstone-regisseur Martin Koolhoven, trouwens een ex-student van mij, is ook zo iemand. Zelf ben ik principieel tegen arthousefilms. Cinema moet gemaakt worden om door zoveel mogelijk mensen gezien te worden, niet enkel door een groepje elitaire snobs met baarden en zwarte kleren.”

Vandaar wellicht dat ik u jaarlijks tegen het lijf loop op het BIFFF, het populaire Brusselse horrorfilmfestival.

“Alsof horror geen serieus genre zou zijn! Als je als filmmaker iets radicaals over de maatschappij wilt vertellen, blijft horror toch de beste camouflage. Er wordt bij ons vaak te gewichtig gedaan over cinema. Natuurlijk is film iets formidabels, natuurlijk is film Grote Kunst – maar film kan alleen maar kunst zijn als er een binding is met het publiek. En nergens in België is die binding vandaag zo voelbaar als op een festival als het BIFFF.” 

Oogst is een onafhankelijk tijdschrift over beeldende kunst, literatuur en film. In tijden van clicks en snelheid kiezen ze bewust voor papier en traagheid. De inhoud is niet actueel en daardoor tijdloos. Vier keer per jaar proberen ze onder woorden te brengen waarom kunst, literatuur en film je zo kunnen raken.