Rebekka de Wit in rekto:verso

De Brakke Grond presenteert een actueel artikel uit het september-november nummer

De Brakke Grond en rekto:verso zoeken steeds naar één actueel en prikkelend artikel uit het laatste nummer. Dit keer kozen we voor een artikel van Rebekka de Wit, waarin zij nadenkt over ' het vangen van de tijd'. In elk nummer van Rekto:verso zoekt Rebekka de Wit de nuances van het bestaan tussen de lijnen van het leven. Een column als uitwuiver. Rebekka de Wit is schrijfster en theatermaker bij De Nwe Tijd.

 

De tijd vangen

Lang heb ik aangenomen, heb ik geopereerd vanuit de overtuiging dat het een belangrijke taak van schrijvers, kunstenaars en denkers was om ‘de tijd te vangen’. Of misschien is het eerder omgekeerd. Ik deed dat al – me terugtrekken en nadenken over dingen, dingetjes – en daarna kwam de overtuiging dat dat de bedoeling was.

Zo heb ik me een tijdje opgesloten om na te denken over de vraag waarom mensen zichzelf zo vaak op de foto zetten. Het leek me een belangrijk onderwerp. Dat was allemaal nog lang voor de selfiestick.

Ik dacht na over hoe het komt dat mensen pas het gevoel hebben dat ze op vakantie zijn geweest als ze thuis de foto’s bekijken. Ik verdiepte me in mediastudies, las klassiekers, sprak met netmanagers en las beginselverklaringen van de VRT over hun deontologie om het allemaal te vangen. Niet omdat ik geboren ben met een kritische blik op alles wat moderne cultuur behelst, maar omdat ik vond dat ik zelf het slachtoffer was van een manier van kijken naar mensen, naar mezelf ook. En ik wilde daar wanhopig vanaf.

Ik wilde af van mijn eigen zelfbewustzijn (volgens mij toch een ander woord voor ijdelheid), van de blik waarmee ik mensen mooi en minder mooi maak. Ik wilde af van het bewustzijn dat mijn gezicht een ‘minder goede kant voor een foto heeft’. Van de eenzaamheid die dat tot gevolg had. Van de treurigheid van het gevoel me in een constante fotoshoot te begeven. Een soort Truman Show, maar waarbij Truman dan ook de cameraman, de regisseur en de geluidsman is. Én het publiek. Ik had het gevoel dat wat porno met echte seks doet, televisie (of representatie in het algemeen) met het echte leven doet.

Ik vroeg me af of je met het vangen van de tijd niet slechts de tijd achternaloopt.

Dat probeerde ik te vangen. Een jaar of vijf voor de selfiestick, wat het symbool werd van een verloren strijd. De selfiestick staat mij altijd uit te lachen.

Ik vroeg me toen af of je met het vangen van de tijd, net als met een foto, niet slechts de tijd achternaloopt. Dat de tijd zich weinig aantrekt van het netje dat jij erover hebt gegooid. Dave Eggers broedde al meer dan vijftien jaar op een boek dat hij wilde schrijven over wat hij in Silicon Valley zag gebeuren. Het moest een dystopisch boek worden over de toekomst, maar elke keer werd hij door de realiteit ingehaald en moest hij steeds onwaarschijnlijker dingen verzinnen om nog een boek te kunnen uitbrengen over de toekomst.

Op het moment dat je je – zoals ik vrijwel mijn hele leven doe – terugtrekt in je kamer en je afvraagt ‘waar ben ik in godsnaam, wat is dit voor rare planeet?’, is het die planeet al niet meer. Soms vraag ik me af of het dan niet beter is om in plaats van te wachten op een antwoord op de vraag ‘waar ben ik’, er gewoon vanuit te gaan dat je er bent, en dat je best de deur mag uitgaan, ook al weet je niet precies waarheen.

En hoewel ik zo langzamerhand vermoed dat we geen tijd meer hebben om de tijd te vangen, omdat het ijs sneller smelt dan de politiek handelt, is het extreem moeilijk om te ervaren dat je deel uitmaakt van de tijd. Ik heb daar zelf nauwelijks bewijs voor. Tot mijn grote teleurstelling heeft een essay of een twintigmaal opgevoerde voorstelling over de mediatisering van de wereld de selfiestick niet tegengehouden.

Toch weet ik dat opmerkingen die ooit tegen mij zijn gemaakt, net als sommige aanrakingen, blijven doorwerken tot op de dag van vandaag. Ik weet dat ik daardoor ben gevormd, ook al laat onze manier van spreken weinig collectiviteit toe, als het gaat om wie we diep vanbinnen zijn.

Een paar maand geleden vroeg ik twee kunstenaars of de verkiezing van Trump iets veranderd had in hun denken. Bij mij had de overwinning van Trump namelijk hetzelfde effect als de overwinning van de selfiestick: het gevoel compleet verslagen te zijn en zelfs te worden uitgelachen door de ontwikkelingen. Een van hen antwoordde dat hij echt nog niet precies wist hoe hij zich daartoe moest verhouden. Dat was iets wat ik al heel vaak had gehoord. Het is opvallend dat mensen, meestal kunstenaars, in de eerste plaats een antwoord willen geven op de vraag ‘hoe verhóúd ík me hiertoe?’. Met de nadruk op ‘verhouden’ en op ‘ik’.

We trekken ons terug, denken in ons eentje na, bepalen onze positie ten opzichte van het ding en komen dan naar buiten met volzinnen. Zo doe ik dat ook. Maar waarom eigenlijk? Waarom zou ik in mijn eentje nadenken over wat ík ervan vind, terwijl er oneindig veel te vinden valt? En dat vinden kan ik helemaal niet in mijn eentje doen. Dat in je eentje doen, maakt je nog meer alleen. Waarom moet ík in mijn eentje een verhouding zoeken tot het gebeuren?

En wat is dan een verhouding? Is dat een antwoord, een verbaal antwoord dat je kunt geven als mensen er op een borrel of tijdens een interview naar vragen? Een mening lijkt me geen verhouding. Als je een verhouding hebt met iets, dan suggereert dat een directe verbinding, maar in je eentje een soort van houvast vormen om je leven niet te hoeven veranderen – waar een verhouding veelal op neerkomt – lijkt me niet een verhouding te noemen. Eerder een kogelvrije vest.

De waarheid gebiedt me te zeggen dat ik deze column schrijf in een lege kamer. Binnen. Waar ik nadenk over hoe ik het kan zeggen: dat ik denk dat we, ook bij gebrek aan bewijsmateriaal – of wat wij als bewijsmateriaal zouden beschouwen, een Nobelprijs of zo – moeten aannemen dat we uitmaken, dat wij de tijd zijn. En dat dat een religieuze taak is, die groter is dan onze levens.

Hem met kleren en al in het zwembad duwen, dat lijkt me nog steeds een heel adequaat antwoord op Trump.

Je kunt niet anders dan erop vertrouwen dat je uitmaakt, terwijl ik in mijn hoofd een grote archiefkast kan opentrekken waaruit het tegendeel blijkt. Niet dat het uitmaakt dat we uitmaken, in the grand scheme of things, maar in the grand scheme of things woont er niemand. Daar woont niemand die een meisje dat mij aan het pesten was – toen ik nog acht was en nog niet kon zwemmen – een viswijf noemde en haar toen met kleren en al in het zwembad heeft geduwd.

Wat me overigens nog steeds een heel adequaat antwoord lijkt op Trump. Hem met kleren en al in het zwembad duwen. Om de tijd een beetje tegen te houden, wat nu wellicht meer nodig is dan hem te vangen.